fbpx

Contact

Neem contact met ons op.

Openingstijden app

Maandag tot en met donderdag: 8:30 tot 22:00 uur
Vrijdag: 8:30 tot 16:00 uur
Zaterdag: 10:00 tot 16:00 uur
Zondag: 10:00 tot 22:00 uur

Bezoekadres

Lopendediep 5
9712 NV
Groningen

KvK: 66929237
BTW: NL8567.56.623.B01
IBAN: NL93 ABNA 0483 1544 31

Welke tijden zijn er in het Latijn?

Hier vind je een overzicht!

In het Latijn vind je de volgende tijden (in volgorde van toekomst naar verleden):

  • Futurum exactum
  • Futurum
  • Praesens
  • Imperfectum
  • Perfectum
  • Plusquamperfectum

welke tijden zijn er in het latijn
Kijk maar naar het volgende schema. Daar zie je hoe de tijden zich verhouden tot elkaar. Daarna zullen we iedere tijd bij langs gaan om te kijken wat ermee gebeurt in het schema met als voorbeeld Latijn leren!

Tijden in het Latijn

Praesens
Laten we beginnen met de makkelijkste tijd – het praesens. Alles wat in het praesens staat gebeurt nu. Die vertaal je met de tegenwoordige tijd, oftewel ik leer Latijn.

Let op: als in een tekst constant de verleden tijd wordt gebruikt en je ineens een praesensvorm langs ziet komen, dan heb je waarschijnlijk te maken met het praesens historicum. Dat is een praesensvorm die je mag vertalen alsof het een imperfectumvorm is. Een schrijver kan dit gebruiken als hij nadruk wilt leggen op bepaalde handelingen in zijn verhaal. In het Nederlands doen we dit ook wel eens: ‘Gisteren wilde ik naar school fietsen. Stap ik op mijn fiets, begint het ineens te regenen!’

Imperfectum
Laten we een stapje teruggaan in de tijd. Als eerste komen we het imperfectum tegen. Hiermee beschrijf je handelingen die een of meer van de volgende dingen doen:

  • Iets dat regelmatig gebeurde (Ik leerde vorig jaar altijd goed voor mijn toetsen)
  • Iets dat op een specifiek moment gebeurde (Gisteren om 22.00 leerde ik nog steeds / was ik nog steeds aan het leren)
  • Iets beschrijven (Het was gister een regenachtige dag)
  • Iets dat tegelijkertijd met iets anders plaatsvindt (terwijl ik leerde, regende het)

Je kijkt dus altijd naar de periode (of een moment) die in het schema onder de brede haak plaatsvindt.

Het perfectum
Het perfectum vindt in dezelfde tijdsperiode plaats als het imperfectum, alleen wordt het op andere manieren gebruikt, namelijk de volgende:

  • Iets wat éénmalig is gebeurd (‘Ik heb gisteren iemand aangereden’)
  • Iets wat een feit beschrijft (Ik heb gisteren hoofdstuk 26 geleerd)
  • Iets wat een resultaat heeft opgeleverd (De straten zijn nat, want het heeft geregend)

Imperfectum vs perfectum
Bij het imperfectum kijk je naar een bepaalde periode (namelijk de periode onder de brede haak in het schema) of een bepaald moment.
Bij het perfectum gaat het om de verhouding tussen het moment van de handeling en nu; het is nu zo dat ik gisteren hoofdstuk 26 heb geleerd en dat het heeft geregend. Dat kan ik nu zien omdat er nog water op de straat ligt. Daarom zie je in het schema een gestippelde pijl naar het praesens!

Als je twijfelt of je een perfectumvorm moet vertalen met een onvoltooide verleden tijd (ik leerde) of juist met een voltooide tegenwoordige tijd (ik heb geleerd), dan kun je kijken of het puur om de periode gaat, of juist om de verhouding tussen de periode en de tegenwoordige tijd!
Een imperfectumvorm vertaal je altijd met een onvoltooide verleden tijd.

Plusquamperfectum
Soms gebeuren twee handeling allebei in het verleden, maar gebeurt de ene handeling eerder dan de andere. Kijk maar het volgende voorbeeld:
‘Nadat ik gister geleerd had, beloonde ik mezelf met een chocoladereep.’

We zien dat de persoon eerst leerde voordat hij/zij een chocoladereep at. In het Latijn gebruiken we hiervoor het plusquamperfectum. Als de ene persoonsvorm in het imperfectum of perfectum staat, en de andere in het plusquamperfectum, dan gebeurt de handeling in het plusquamperfectum voor de andere handeling. Dit laat je zien door een voltooid deelwoord te gebruiken en het werkwoord erbij in de onvoltooid verleden tijd te zetten, dus ik had geleerd.

Vandaar dat het plusquamperfectum helemaal links in het schema staat. Met deze tijdsvorm ga je het verst terug in de tijd. Ook is de gestippelde pijl naar rechts nu logisch; een plusquamperfectumvorm vergelijk je altijd met een ander werkwoord, omdat een plusquamperfectum altijd voor iets anders aan gebeurt.

Futurum
Laten we nu kijken wat er voor toekomsttijden zijn. Eerst kijken we naar het futurum. Als je aan wilt geven dat iets in de toekomst plaats gaat vinden, dan gebruik je het futurum. In het schema zie je dus dat er alleen gekeken wordt naar de periode onder de brede haak; op dat moment of in die periode gaat iets plaatsvinden, dus ik zal leren.
Dit futurum wordt ook wel het futurum simplex genoemd.

Futurum exactum

Wanneer er iets gebeurt in een bepaalde periode en de tijd verstrijkt, dan zal er een moment komen waarop die gebeurtenis afgelopen is. Wanneer ik bijvoorbeeld nu zeg dat ik morgen zal leren, dan gebruik ik het normale futurum. Als ik dan denk aan overmorgen, kan ik het volgende zeggen:
‘Overmorgen zal ik geleerd hebben.’

Je beschrijft dus eigenlijk een moment in de toekomst waarop je de handeling achter de rug hebt. Hier is nog een voorbeeld:
‘Mijn wiskundedocent zei dat vrijdag de rapporten misschien worden uitgedeeld, dus uiterlijk volgende week dinsdag zullen we ons rapport vast wel gekregen hebben.’

Hou jij de verschillende tijden nog steeds niet goed uit je hoofd? Onze coaches helpen je graag in persoonlijke bijlessen!




Deze uitleg is geschreven door Maurice.

Heb je vragen over dit onderwerp?

Stel je vraag

Chat
Chat

Hulp nodig met je huiswerk?

Loop je tegen een lastige berekening aan of ben je even kwijt of je ‘word’ met een d of een dt schrijft? Meld je nu aan en stuur Mr. Chadd een bericht!

icon-external-link cancel close check cog graduate navigatedown icon-info icon-phone icon-mail icon-chat icon-facebook icon-instagram icon-twitter icon-youtube icon-play icon-eye whatsapp