fbpx

Contact

Neem contact met ons op.

Openingstijden app

Maandag tot en met donderdag: 8:30 tot 22:00 uur
Vrijdag: 8:30 tot 16:00 uur
Zaterdag: 10:00 tot 16:00 uur
Zondag: 10:00 tot 22:00 uur

Bezoekadres

Lopendediep 5
9712 NV
Groningen

KvK: 66929237
BTW: NL8567.56.623.B01
IBAN: NL93 ABNA 0483 1544 31

Prijselasticiteit geeft aan hoe sterk de vraag naar een product verandert wanneer de prijs verandert. Bij sommige producten is dat veel meer dan anderen. Maar hoe zie je dit precies? Hier leggen we het allemaal uit.

Prijselasticiteit
In principe geldt hier een negatief verband: als een product duurder wordt, zal er minder vraag zijn naar het product. Maar de verandering van de vraag is niet voor elk product gelijk. Wanneer de prijzen van eten omhoog gaan, zal er maar weinig gebeuren in de vraag naar eten. Mensen moeten immers gewoon altijd eten. Wanneer de prijzen van auto’s omhoog gaan, zal de vraag sneller zakken. Dan zullen mensen meer goedkopere alternatieven gaan kiezen als de bus of trein. Andersom geldt natuurlijk hetzelfde. Als auto’s goedkoper worden, zullen meer mensen auto’s gaan kopen.

Basisformules

Om de prijselasticiteit van een product te berekenen, kan je de volgende formule gebruiken:

Prijselasticiteit formule
Ook kunnen we hieruit andere formules herleiden:

% verandering vraag = Epv × % verandering prijs

en

prijselasticiteit formule omgeschreven 2

Voorbeeld 1: Prijselasticiteit berekenen

We weten dat de vraag naar iPhones met 10% daalt wanneer de prijs met 5% stijgt. De prijselasticiteit kan dan als volgt worden berekend:

prijselasticiteit voorbeeld 1

Omdat het verband tussen de prijs en de vraag negatief is, is de prijselasticiteit altijd negatief. Je zult het resultaat daarom negatief moeten maken door er een minteken voor te zetten (of het resultaat keer -1 te doen). De prijselasticiteit van iPhones is daarmee -2.

Voorbeeld 2: Verandering vraag berekenen

Je kan ook de andere kant op rekenen. Als je de prijselasticiteit al weet, kun je uitrekenen wat het gevolg is van een prijsstijging.

% verandering vraag = Epv × % verandering prijs

Wanneer de prijselasticiteit -1,5 bedraagt en de prijs met 10% stijgt, kan de verandering in de vraag als volgt worden berekend:

% verandering vraag = Epv × % verandering prijs = 1,5 × 10 = 15

In dit geval zal de vraag naar het product met 15% zakken.

Voorbeeld 3: Verandering vraag met echte getallen

Stel je voor dat voor de verkoop van horloges een prijselasticiteit geldt van -1,2. Tegen een prijs van €50,- werden er 1.000 horloges verkocht. De producent van horloges schroeft nu de prijs op naar €60,-. Met behulp van de prijselasticiteit kunnen we nu uitrekenen wat de vraag naar horloges wordt.

Stap 1: Bepalen welke formule nodig is

Om de verandering in vraag te berekenen hebben we de volgende formule nodig:

% verandering vraag = Epv × % verandering prijs

Stap 2: Missende gegevens uitrekenen

Van de gegevens die we nodig hebben weten we de prijselasticiteit al (-1,2). We hebben alleen nog de procentuele verandering in prijs nodig. De prijs is gestegen van €50,- naar €60,-. Dat is een stijging van 20% ((60−50)/50 × 100% = 20%).

Stap 3: Invullen van de formule

Nu alle gegevens bekend zijn, kan de formule ingevuld worden:

% verandering vraag = Epv × % verandering prijs = 1,2 × 20 = 23,8

De procentuele verandering van de vraag bedraagt daarmee 23,8%

Stap 4: De uiteindelijke vraag uitrekenen

De procentuele verandering van de vraag is 23,8%. Omdat het verband tussen prijs en vraag altijd negatief is, zal de vraag met 23,8% afnemen. Dat houdt in dat er van de 1.000 mensen die het horloge kochten, nog maar 762 overblijven (1.000 − (0,238×1.000)).

Formule prijselasticiteit wanneer procentuele veranderingen niet bekend zijn

Meestal zijn de procentuele veranderingen (zoals in voorbeeld 1) niet bekend, maar wordt er alleen een vraagfunctie gegeven. Dat is geen probleem, alleen wordt de formule dan iets anders:

prijselasticiteit voorbeeld

In deze formule geldt (de d staat voor difference, oftewel verandering):

Epv = prijselasticiteit
p = prijs in de uitgangssituatie
Qv = vraag in de uitgangssituatie
dp = verandering in prijs
dqv = verandering in vraag

Voorbeeld 4: Prijselasticiteit met vraagfunctie

Voor de vraag naar stoelen geldt de vraagfunctie (Q= −5p + 400). We kunnen nu als volgt de prijselasticiteit van stoelen berekenen.

Stap 1: De juiste formule kiezen

Omdat er alleen een vraagfunctie bekend is moeten we de volgende formule gebruiken:

prijselasticiteit

Stap 2: Onbekende gegevens berekenen

Alle gegevens zijn nog onbekend maar te herleiden uit de vraagfunctie. We kunnen een beginprijs (p) kiezen op de vraaglijn van bijvoorbeeld €30,-.Voor deze prijs worden er 250 stoelen verkocht (Q= −5×30 + 400 = 250). De formule kan nu al voor de helft ingevuld worden:

prijselasticiteit voorbeeld

Nu moeten nog =het verschil in vraag en prijs berekend worden. Stel je een prijssteiging (dp) van €1,- voor (de prijs van een stoel is dan €31,-). Voor deze prijs worden er 245 stoelen verkocht (Q= −5×31 + 400 = 245) Dat zijn er 5 minder (dqv) dan bij eerder (250 − 245 = 5).

Stap 3: Formule helemaal invullen

Nu alle gegevens bekend zijn kan de formule volledig worden ingevuld:

prijselasticiteit voorbeeld

Omdat het verband tussen prijs en vraag nog steeds negatief is, kunnen we herleiden dat de prijselasticiteit -0,6 is wanneer de prijs stijgt.

Soorten elasticiteiten

Het nu van de prijselasticiteit is, is dat het aangeeft hoe sterk de vraag verandert nadat de prijs verandert. Hoe groter de elasticiteit, hoe sterker de vraag zal reageren op prijsveranderingen.

Volkomen inelastische vraag: Epv = 0

Wanneer de prijselasticiteit 0 bedraagt, zal de vraag niet reageren prijsveranderingen. Hoe duur of goedkoop een product dan ook is, de vraag zal hetzelfde blijven. De vraag is dan inelastisch. Voorbeelden die hier in de buurt komen zijn producten die mensen altijd nodig zullen hebben zoals water of elektriciteit.

Relatief inelastische vraag: -1 < Epv < 0

Wanneer de prijselasticiteit tussen de 0 en -1 bedraagt, zal de vraag relatief zwak reageren op prijsveranderingen. Bij een prijsstijging zullen er wel iets minder mensen zijn die het product kopen, maar dit effect is niet zo sterk. De vraag is dan relatief inelastisch. Voorbeelden van producten die vaak in deze categorie zitten zijn basisproducten die wel enigszins te vervangen zijn zoals frisdrank en vlees.

Relatief elastische vraag: Epv < 1

Wanneer de prijselasticiteit nog lager ligt dan -1, zal de vraag sterk reageren op een verandering in prijs. Bij een prijsstijging zullen er veel consumenten besluiten het product niet meer te kopen. De vraag is dan relatief elastisch. Voorbeelden van producten die relatief elastisch zijn, zijn luxeproducten zoals dure auto’s en horloges. Deze producten zijn niet nodig in het vervullen van basisbehoeften en consumenten zullen makkelijk overstappen op alternatieven of het niet kopen van deze producten.

Samenvattend

De prijselasticiteit geeft aan hoe sterk de vraag naar een product (procentueel) verandert wanneer de prijs (procentueel) verandert.

Toch nog wel wat moeite met prijselasticiteit? Naast dat je met onze slimme coaches kan chatten, kan je ook 1-op-1 begeleiding van ze krijgen! Meer over bijles kan je hier vinden!

 

 

 

Deze uitleg is geschreven door Jeroen.

Heb je vragen over dit onderwerp?

Stel je vraag

Chat
Chat

Hulp nodig met je huiswerk?

Loop je tegen een lastige berekening aan of ben je even kwijt of je ‘word’ met een d of een dt schrijft? Meld je nu aan en stuur Mr. Chadd een bericht!

icon-external-link cancel close check cog graduate navigatedown icon-info icon-phone icon-mail icon-chat icon-facebook icon-instagram icon-twitter icon-youtube icon-play icon-eye whatsapp