Een nieuw jaar, een frisse start. Nu een jaar lang Mr. Chadd met €50,- korting met de code:

JAAR2022

Werkwoordspelling

Werkwoordspelling; tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord… Wij leggen je uit hoe het precies zit!

Om te leren hoe het zit met werkwoordspelling moet je eerst weten wat de stam van een werkwoord is. De stam wordt bij veel vormen van werkwoordspelling gebruikt, dus het is goed om dit uit je hoofd te kennen. De stam van een werkwoord is het hele werkwoord zonder –en. Bijvoorbeeld: ‘werken’ wordt ‘werk’ en ‘bestellen’ wordt ‘bestel’.

werkwoordspelling

De eerste tijdsvorm is de tegenwoordige tijd. De tegenwoordige tijd beschrijft iets wat nu of in de toekomst gebeurt. Er zijn drie mogelijkheden van werkwoordspelling in de tegenwoordige tijd: Stam, Stam + T of Stam + En. De  mogelijkheden zijn in het onderstaande schema weergeven. Er is één uitzondering. Dat is als een zin vragend is, bijvoorbeeld: ‘Fiets jij morgen ook naar het feestje?’.

Voorbeeld: Werken Voorbeeld: Verhuizen
ik Stam Werk Verhuis
jij Stam+t Werkt Verhuist
Stam jij? Werk Verhuis
hij/zij/het Stam+t Werkt Verhuist
wij/jullie/zij Hele werkwoord Werken Verhuizen

De tweede tijdsvorm die omschreven word is de verleden tijd. De verleden tijd geeft aan dat iets in het verleden is gebeurd. Er zijn twee soorten verleden tijd: Verleden tijd van regelmatige werkwoorden en verleden tijd van onregelmatige werkwoorden. Als eerste de verleden tijd van regelmatige werkwoorden.

Bij de verleden tijd van regelmatige werkwoorden wordt de uitgang –de, -den, -te of –ten gebruikt. Of je een uitgang met een –d of –t gebruikt hangt af van de laatste letter van het woord en of deze in het kofschip zit.

Voorbeeld: Werken Voorbeeld: Verhuizen
ik Stam + -te/-de Werkte Verhuisde
jij stam+ -te/-de Werkte Verhuisde
Stam + -te/-de jij? Werkte Verhuisde
hij/zij/het stam+ -te/-de Werkte Verhuisde
wij/jullie/zij stam + -ten/-den Werkten Verhuisden

Bij onregelmatige werkwoorden is de verleden tijd anders, hierbij verandert de klank van het werkwoord. Bij het vervoegen van onregelmatige werkwoorden in verleden tijd gebruik je niet de gewone stam, maar de verledentijdsstam. De vervoeging staat in het onderstaande schema.

Voorbeeld: Lopen Voorbeeld: Zwemmen
ik Verledentijdsstam Liep Zwom
jij Verledentijdsstam Liep Zwom
Verledentijdsstam jij? Liep Zwom
hij/zij/het Verledentijdsstam + en Liepen Zwommen
wij/jullie/zij Verledentijdsstam + en Liepen Zwommen

Een voltooid deelwoord wordt gebruikt om te vertellen dat iets al gebeurd is en afgerond is. De meeste voltooid deelwoorden beginnen met ge-. Sommige voltooid deelwoorden beginnen met be-, ver-, ont- of her-. Bij deze voltooid deelwoorden gebruik je geen ge- als voorvoegsel. Bij zwakke werkwoorden eindigt een voltooid deelwoord op een –d of een –t. Om te bepalen of een voltooid deelwoord eindigt op –d of –t gebruik je ’t kofschip. Een sterk werkwoord eindigt als voltooid deelwoord altijd op –en. Ook word er bij een voltooid deelwoord een hulpwerkwoord gebruikt, zoals ‘heb’.

Voorbeeld: Werken Voorbeeld: Lopen
ik Ge + Stam + -d/-t/-en Heb gewerkt Heb gelopen
jij Ge + Stam + -d/-t/-en Hebt gewerkt Hebt gelopen
Ge + Stam + -d/-t/-en jij? Heb (jij) gewerkt? Heb (jij) gelopen?
hij/zij/het Ge + Stam + -d/-t/-en Heeft gewerkt Heeft gelopen
wij/jullie/zij Ge + Stam + -d/-t/-en Hebben gewerkt Hebben gelopen

Als laatste is er het onvoltooid deelwoord. Een onvoltooid deelwoord wordt gebruikt als een actie nog niet afgerond is. Een onvoltooid deelwoord bestaat uit het volledige werkwoord met –d als uitgang.

Bijvoorbeeld: ‘Fluitend deed zij de afwas’. In deze zin staan twee werkwoorden, ‘deed’ en ‘fluitend’. Fluitend zegt hierbij iets over hoe zij het deed. Een ander voorbeeld van een onvoltooid deelwoord in een zin is: ‘Hij liep bellend naar de bushalte’. Hier wordt het onvoltooid deelwoord ‘bellend’ gecombineerd met ‘liep’.

Een onvoltooid deelwoord is een werkwoordvervoeging maar het kan ook gebruikt worden als bijvoeglijk naamwoord. Een voordeel van een bijvoeglijk gebruikt onvoltooid deelwoord is: ‘De staande kapstok’.  ‘Staan’ is een werkwoord, maar het word als bijvoeglijk naamwoord gebruikt. Het vervult hier zowel de functie van werkwoord (staan) alsdat het iets zegt over de klok.

Wil je graag oefenen met het herkennen en benoemen van werkwoordsvormen of graag oefenen met werkwoordspelling?

Benoem dan de werkwoordsvormen in de onderstaande zinnen.

  1. Huilend ben ik van de plek waar ik viel naar huis gelopen, ik had zoveel pijn!
  2. Vroeger toen ik klein was kon ik nooit de letter R zeggen maar de spraakles heeft wel geholpen.
  3. Het lachende meisje in de klas was normaal heel braaf, maar vandaag kon ze er wat van.

Leerlingen die hier vragen over hebben, keken ook naar:

’t Kofschip

Sterke, zwakke en onregelmatige werkwoorden

Vernederlandsing Engelse werkwoorden

Docent of directeur? Vraag een gratis testperiode aan!

Mr. Chadd uitproberen? Dat kan nu twee weken gratis en geheel vrijblijvend met jouw klas! We komen graag in contact om de mogelijkheden te bespreken.

Ik laat u graag zien hoe Mr. Chadd werkt!

Docent of directeur? Vraag een gratis informatiepakket aan

Laat hieronder uw gegevens achter en we sturen u een gratis informatiepakket over Mr. Chadd op!

Ik vertel u graag over de voordelen van Mr. Chadd!

Docent of directeur? Neem contact op

Bent u benieuwd naar de voordelen van Mr. Chadd of heeft u andere vragen? Laat uw gegevens achter en wij nemen zo snel mogelijk contact op.

Ik vertel u graag meer over Mr. Chadd!
Zo werkt het Academy Over ons
{"api_base_path":"https://c.mrchadd.nl","funnel_return_domain":"https://www.mrchadd.nl","third_party_js_asset":"third-party.js"}