Dativ en Akkusativ

De Duitse grammatica kent allerlei verschillende naamvallen.

Twee daarvan zijn de Dativ (derde naamval) en de Akkusativ (vierde naamval). Over deze twee vormen is af en toe nog wel eens wat onduidelijkheid.

Mr. Chadd legt je hieronder uit wanneer je ze precies moet gebruiken. Je vindt ook de voorzetsels die altijd de Genitiv (tweede naamval) krijgen. De lijsten zijn compleet, zodat je zelf kunt kiezen wat je uit je hoofd leert.

dativ en akkusativ

Dativ

‘Der Dativ’ is de derde naamval in het Duits. Je gebruikt hem voor het meewerkend voorwerp. Je weet of iets een meewerkend voorwerp is door te kijken of je er aan of voor voor kunt zetten. Is dat het geval, dan heb je te maken met een meewerkend voorwerp.

Achter een aantal voorzetsels en werkwoorden komt altijd de derde naamval.

Voorzetsels die altijd de derde naamval krijgen

  • ab (vanaf)
  • aus (uit)
  • außer (behalve)
  • bei (bij)
  • entgegen (in tegenstelling tot, tegemoet)
  • entsprechend (overeenkomstig)
  • gegenüber (tegenover)
  • gemäß (volgens)
  • mit (met)
  • nach (na, naar)
  • nebst (samen met)
  • samt (inclusief, met)
  • seit (sinds)
  • von (van, door)
  • zu (naar, bij)
  • zufolge (volgens; staat meestal achter het zelfstandig naamwoord)
  • zuliebe (omwille van)
  • zuwider (in strijd met)

Bij ab met een datum of een aantal mag ook de vierde naamval: ab dem 1. Mai en ab nächsten Montag zijn allebei goed.

Dank (dankzij) en laut (volgens) kunnen de tweede of de derde naamval krijgen.

Werkwoorden die altijd de derde naamval krijgen

Bij deze werkwoorden staat het voorwerp in de derde naamval. Je vraagt ernaar met wem? Er is geen algemene regel, dus deze werkwoorden leer je uit je hoofd.

  • ähneln (lijken op)
  • antworten (antwoorden)
  • applaudieren (applaudisseren voor)
  • ausweichen (ontwijken)
  • begegnen (tegenkomen)
  • beipflichten (bijvallen)
  • beistehen (bijstaan)
  • beitreten (lid worden van)
  • danken (danken)
  • dienen (dienen)
  • drohen (dreigen tegen)
  • einfallen (te binnen schieten)
  • entkommen (ontsnappen aan)
  • entsprechen (overeenkomen met)
  • fehlen (ontbreken, missen)
  • folgen (volgen)
  • gefallen (bevallen)
  • gehorchen (gehoorzamen)
  • gehören (toebehoren aan)
  • gelingen (lukken)
  • genügen (voldoende zijn)
  • gleichen (gelijk zijn aan)
  • gratulieren (feliciteren)
  • grollen (een wrok koesteren tegen)
  • gut tun (goed doen)
  • helfen (helpen)
  • imponieren (imponeren)
  • lauschen (luisteren naar)
  • leidtun (spijten)
  • missfallen (niet bevallen)
  • misslingen (mislukken)
  • misstrauen (wantrouwen)
  • nachlaufen (achternalopen)
  • nützen (baten)
  • passen (passen, staan)
  • passieren (overkomen)
  • schaden (schaden)
  • schmeicheln (vleien)
  • schmecken (smaken)
  • sich nähern (naderen)
  • trauen (vertrouwen)
  • vertrauen (vertrouwen)
  • verzeihen (vergeven)
  • wehtun (pijn doen)
  • widerstehen (weerstaan)
  • widersprechen (tegenspreken)
  • winken (zwaaien naar)
  • zuhören (luisteren naar)
  • zürnen (boos zijn op)
  • zusehen (toekijken)
  • zustimmen (instemmen)

Bij glauben (geloven) staat een persoon in de derde naamval: Ich glaube dir. Een ding of een verhaal kan in de vierde naamval staan: Ich glaube die Geschichte nicht. Passieren krijgt de derde naamval als het ‘overkomen’ betekent (Das passiert mir oft). Als het ‘passeren’ betekent, gebruik je de vierde naamval: Wir passieren die Stadt. Nutzen in de betekenis ‘gebruiken’ krijgt ook de vierde naamval: Ich nutze die Chance.

Akkusativ

‘Der Akkusativ’ is de vierde naamval in het Duits. Je gebruikt hem voor het lijdend voorwerp. Je vindt het lijdend voorwerp met de vraag “wie of wat + gezegde + onderwerp?”.

Bij de meeste werkwoorden staat dat lijdend voorwerp in de vierde naamval. Die werkwoorden hoef je niet allemaal uit je hoofd te leren. De derde naamval bij werkwoorden is juist de uitzondering, en die lijst staat hierboven.

Voorzetsels die altijd de vierde naamval krijgen

  • à (per, bij een prijs)
  • bis (tot)
  • durch (door)
  • für (voor)
  • gegen (tegen)
  • je (per)
  • ohne (zonder)
  • per (per)
  • pro (per)
  • um (om)
  • wider (tegen)

Entlang (langs) krijgt de vierde naamval als het achter het zelfstandig naamwoord staat: den Fluss entlang. Staat het ervoor, dan gebruik je de tweede naamval: entlang des Flusses.

Veelvoorkomende werkwoorden met de vierde naamval

  • anrufen (opbellen)
  • ansehen (bekijken)
  • bekommen (krijgen)
  • bestellen (bestellen)
  • besuchen (bezoeken)
  • bitten (verzoeken)
  • brauchen (nodig hebben)
  • einladen (uitnodigen)
  • essen (eten)
  • finden (vinden)
  • fragen (vragen)
  • haben (hebben)
  • hören (horen)
  • kaufen (kopen)
  • kennen (kennen)
  • lernen (leren)
  • lesen (lezen)
  • lieben (houden van)
  • machen (maken)
  • nehmen (nemen)
  • öffnen (openen)
  • schreiben (schrijven)
  • sehen (zien)
  • suchen (zoeken)
  • treffen (ontmoeten)
  • trinken (drinken)
  • vergessen (vergeten)
  • verstehen (begrijpen)
  • es gibt (er is, er zijn)

Nederlanders zetten bij fragen, anrufen, bitten en einladen soms per ongeluk de derde naamval, omdat je in het Nederlands aan iemand zegt. In het Duits is het de vierde naamval: Ich frage den Lehrer, Ich rufe meine Mutter an.

Werkwoorden met de derde én de vierde naamval

Sommige werkwoorden hebben twee voorwerpen. De persoon staat in de derde naamval, het ding in de vierde naamval. Ich schenke dem Kind einen Ball.

  • anbieten (aanbieden)
  • beantworten (beantwoorden)
  • beweisen (bewijzen)
  • bringen (brengen)
  • empfehlen (aanraden)
  • erklären (uitleggen)
  • erlauben (toestaan)
  • erzählen (vertellen)
  • geben (geven)
  • holen (halen)
  • kaufen (kopen voor iemand)
  • leihen (lenen)
  • mitteilen (meedelen)
  • raten (aanraden)
  • reichen (aangeven)
  • sagen (zeggen)
  • schenken (cadeau doen)
  • schicken (sturen)
  • schreiben (schrijven aan iemand)
  • stehlen (stelen)
  • verbieten (verbieden)
  • verkaufen (verkopen)
  • versprechen (beloven)
  • vorlesen (voorlezen)
  • wegnehmen (afnemen)
  • zeigen (laten zien)
  • zurückgeben (teruggeven)
  • wünschen (wensen)

Zo werkt de app

Genitiv

‘Der Genitiv’ is de tweede naamval. Je gebruikt hem voor een bezit (die Tasche meines Bruders, de tas van mijn broer) en na de voorzetsels hieronder.

In school- en schrijftaal krijgen deze voorzetsels de tweede naamval. Bij trotz, wegen, während en (an)statt hoor je in spreektaal ook de derde naamval. Op een toets is de tweede naamval het antwoord dat je moet geven.

  • (an)statt (in plaats van)
  • abseits (afzijdig van)
  • abzüglich (verminderd met)
  • angesichts (gezien)
  • anhand (aan de hand van)
  • anlässlich (ter gelegenheid van)
  • anstelle (in plaats van)
  • aufgrund (op grond van)
  • außerhalb (buiten)
  • bezüglich (wat betreft)
  • diesseits (aan deze kant van)
  • einschließlich (inclusief)
  • hinsichtlich (wat betreft)
  • infolge (als gevolg van)
  • inmitten (te midden van)
  • innerhalb (binnen)
  • jenseits (aan de andere kant van)
  • längs (langs)
  • mangels (bij gebrek aan)
  • mithilfe (met behulp van)
  • mittels (door middel van)
  • nördlich (ten noorden van)
  • oberhalb (boven)
  • östlich (ten oosten van)
  • seitens (van de kant van)
  • südlich (ten zuiden van)
  • trotz (ondanks)
  • um … willen (omwille van)
  • unterhalb (onder)
  • unweit (niet ver van)
  • während (tijdens)
  • wegen (wegens)
  • westlich (ten westen van)
  • zugunsten (ten gunste van)
  • zuzüglich (plus)
  • zwecks (met het doel)

In formelere teksten kom je ook deze tegen: anfangs, ausgangs, eingangs, ausschließlich, exklusive, inklusive, beiderseits, betreffs, kraft, seitlich, vorbehaltlich, zeit (zeit seines Lebens), zulasten en aufseiten.

Moeilijkheden

Bepaalde voorzetsels krijgen de ene keer de derde naamval en de andere keer de vierde naamval. Het gaat om deze keuzevoorzetsels: an, auf, hinter, in, neben, über, unter, vor, zwischen.

Gaat het om een richting of een verplaatsing, dan gebruik je de vierde naamval. Gaat het om een plek waar iets zich bevindt, dan gebruik je de derde naamval.

  • Das Buch liegt auf dem Tisch. = Het boek ligt op de tafel. Het boek blijft liggen, dus de derde naamval.
  • Er legt das Buch auf den Tisch. = Hij legt het boek op de tafel. Het boek verandert van plek, dus de vierde naamval.

En nu jij!

Wil je nog even oefenen met het verschil tussen de Dativ en de Akkusativ? Kijk dan of in de zinnen hieronder sprake is van een richting en kies tussen de derde en vierde naamval.

Das Bild hängt an der (3) / die (4) Wand.

Ich stelle die Vase auf dem (3) / den (4) Tisch.

Die Lampe hängt über dem (3) / den (4) Tisch.

Leerlingen die hier vragen over hebben, keken ook naar:

Naamvallen: welke zijn er en hoe gebruik ik ze?

Voorzetsels in het Duits

Der, die of das: welke gebruik je wanneer?

Meervoud in het Duits: hoe werkt dat?

Werkt u in het vo of mbo? Plan direct een vrijblijvende demonstratie in!

We laten u graag geheel vrijblijvend zien hoe Mr. Chadd werkt, hoe het kan worden ingezet en wat de meerwaarde is. Dit doen we in een fysieke of online afspraak van zo'n 30 minuten. Let op! Deze demonstratie is alleen bedoeld voor mensen die werkzaam zijn in het vo of mbo, NIET voor leerlingen!

Ik laat u graag zien hoe Mr. Chadd werkt!

Meer informatie over Mr. Chadd

Laat hieronder uw gegevens achter en we sturen u geheel vrijblijvend meer informatie over Mr. Chadd op!

Ik vertel u graag over de voordelen van Mr. Chadd!

Werkt u in het vo of mbo? Neem contact op!

Bent u benieuwd naar de voordelen van Mr. Chadd of heeft u andere vragen? Laat uw gegevens achter en wij nemen zo snel mogelijk contact op.

Ik vertel u graag meer over Mr. Chadd!
Zo werkt het Academy Over ons

Probeer nu onze Chatbot

NU TIJDELIJK HOGE KORTINGEN OP ONS CHATBOT ABONNEMENT MET CODE: CHATBOT

Een uur lang voor alle vakken vragen stellen aan onze BOT. Voor maar €9,- per maand. Zo hoef je niet te wachten tot de volgende les!

Onze slimme CHATBOT helpt je overdag, ’s avonds en in het weekend. We geven uitleg voor alle vakken en niveaus. We helpen je tot je het snapt, zodat je gelijk verder kunt met je huiswerk.

Claim korting!