fbpx

Contact

Neem contact met ons op.

Openingstijden app

Maandag tot en met donderdag: 8:30 tot 22:00 uur
Vrijdag: 8:30 tot 16:00 uur
Zaterdag: 10:00 tot 16:00 uur
Zondag: 10:00 tot 22:00 uur

Bezoekadres

Lopendediep 5
9712 NV
Groningen

KvK: 66929237
BTW: NL8567.56.623.B01
IBAN: NL93 ABNA 0483 1544 31

Être (zijn) en avoir (hebben) zijn de belangrijkste en meest gebruikte werkwoorden in de Franse taal.

In de tegenwoordige tijd worden ze vaak gebruikt, maar ook voor een vervoeging in de passé composé (voltooid deelwoord) gebruik je altijd een vorm van être of avoir.

Hieronder vind je een lijstje met alle vervoegingen van être en avoir en een uitleg wanneer je être en wanneer je avoir gebruikt bij het opstellen van een passé composé.
etre en avoir
Passé composé
Bij het maken van een passé composé gebruik je altijd een vervoeging van être of avoir. Wanneer gebruik je nu een vorm van être en wanneer gebruik je een vorm van avoir?
Voor bijna alle werkwoorden kun je een vorm van avoir gebruiken.
Zelfs voor een wederkerend werkwoord gebruik je een vorm van être, dus bijvoorbeeld:

 

se laver (zich wassen) je me suis lavé(e) ik heb me gewassen
se réveiller (wakker worden) il s’est reveillé hij is wakker geworden
se lever (opstaan) tu t’es lévé jij bent opgestaan

Ook gebruik je een vorm van être bij het uitdrukken van een beweging, dus bijvoorbeeld:

arriver (arriveren)  je suis arrivé(e) ik ben gearriveerd
entrer (binnenkomen) elle est entrée zij is binnengekomen
partir (vertrekken) nous sommes parti(e)s wij zijn vertrokken

Zo werkt de app

Let er op bij être dat het voltooid deelwoord zich aanpast aan het onderwerp waar het bij hoort, een zij-vorm krijgt dus een extra –e achter het voltooid deelwoord. Let er ook op dat je bij een wederkerend werkwoord de se-vorm vervoegt naar het onderwerp, dus je – me, tu – te, etc.

Onder de oefenvragen hebben we voor de volledigheid alle uitgangen van être en avoir toegevoegd voor de meest gebruikte tijden zodat je dat nog even rustig zelf kan nalezen.

En nu jij! Wat oefenvragen om jouw kennis te testen!

  1. Nous … … (danser) à la discothèque
  2. Le chauffeur … … (arriver) à l’Arc de Triomphe.
  3. Elle … … (travailler) chez Jumbo.
  4. Tu … … (détester) les devoirs français?
  5. Elles … … (naître) le même jour.

Antwoorden

  1. Nous avons dansé
  2. Le chauffeur est arrivé
  3. Elle a travaillé
  4. Tu as détesté
  5. Elles sont nées


Deze uitleg is geschreven door Maurice.

Heb je vragen over dit onderwerp?

Stel je vraag

Être

Présent Tegenwoordige tijd
Je suis Ik ben
Tu es Jij bent
Il/elle/on est Hij/zij/men is
Nous sommes Wij zijn
Vous êtes Jullie zijn / U bent
Ils/elles sont Zij zijn

 

Imparfait Onvoltooid verleden tijd
J’étais Ik was
Tu étais Jij was
Il/elle/on était Hij/zij/men was
Nous étions Wij waren
Vous étiez Jullie waren / U bent
Ils/elles étaient Zij waren

 

Passé composé Voltooid verleden tijd
J’ai été Ik ben geweest
Tu as été Jij bent geweest
Il/elle/on a été Hij/zij/men is geweest
Nous avons été Wij zijn geweest
Vous avez été Jullie zijn geweest / U bent geweest
Ils/elles ont été Zij zijn geweest

 

Futur Toekomende tijd
Je serai Ik zal zijn
Tu seras Jij zal zijn
Il/elle/on sera Hij/zij/men zal zijn
Nous serons Wij zullen zijn
Vous serez Jullie zullen zijn / U zult zijn
Ils/elles seront Zij zullen zijn

 

Conditionnel Conditionalis
Je serais Ik zou zijn
Tu serais Jij zou zijn
Il/elle/on serait Hij/zij/men zou zijn
Nous serions Wij zouden zijn
Vous seriez Jullie zouden zijn
Ils/elles seraient Zij zouden zijn

Avoir

Présent Tegenwoordige tijd
J’ai Ik heb
Tu as Jij hebt
Il/elle/on a Hij/zij/men heeft
Nous avons Wij hebben
Vous avez Jullie hebben / U heeft
Ils/elles ont Zij hebben

 

Imparfait Onvoltooid verleden tijd
J’avais Ik had
Tu avais Jij had
Il/elle/on avait Hij/zij/men hadden
Nous avions Wij hadden
Vous aviez Jullie hadden / U had
Ils/elles avaient Zij hadden

 

Passé composé Voltooid verleden tijd
J’ai eu Ik heb gehad
Tu as eu Jij hebt gehad
Il/elle/on a eu Hij/zij/men heeft gehad
Nous avons eu Wij hebben gehad
Vous avez eu Jullie hebben gehad
Ils/elles ont eu Zij hebben gehad

 

Futur Toekomende tijd
J’aurai Ik zal hebben
Tu auras Jij zal hebben
Il/elle/on aura Hij/zij/men zal hebben
Nous aurons Wij zullen hebben
Vous aurez Jullie zullen hebben / U zult hebben
Ils/elles auront Zij zullen hebben

 

Conditionnel Conditionalis
J’aurais Ik zou hebben
Tu aurais Jij zou hebben
Il/elle/on aurait Hij/zij/men zou hebben
Nous aurions Wij zouden hebben
Vous auriez Jullie zouden hebben
Ils/elles auront Zij zouden hebben
Meer hulp nodig? Geen probleem bij Mr. Chadd! Naast onze app bieden wij ook 1-op-1 bijles aan! Kijk hier maar eens.​
Belinda


Deze uitleg is geschreven door Belinda.

Chat
Chat

Hulp nodig met je huiswerk?

Loop je tegen een lastige berekening aan of ben je even kwijt of je ‘word’ met een d of een dt schrijft? Meld je nu aan en stuur Mr. Chadd een bericht!

icon-external-link cancel close check cog graduate navigatedown icon-info icon-phone icon-mail icon-chat icon-facebook icon-instagram icon-twitter icon-youtube icon-play icon-eye whatsapp