fbpx

Contact

Neem contact met ons op.

Openingstijden app

Maandag tot en met donderdag: 8:30 tot 22:00 uur
Vrijdag: 8:30 tot 16:00 uur
Zaterdag: 10:00 tot 16:00 uur
Zondag: 10:00 tot 22:00 uur

Bezoekadres

Lopendediep 5
9712 NV
Groningen

KvK: 66929237
BTW: NL8567.56.623.B01
IBAN: NL93 ABNA 0483 1544 31

Le passé composé?

Je ne comprends pas?

Met deze uitleg ga jij de passé composé wél begrijpen!

De Passé composé
Le passé composé is de werkwoordsvorm die we in het Nederlands kennen als de voltooid tegenwoordige tijd. Een voorbeeld hiervan in het Nederlands is bijvoorbeeld: “Ik heb gelopen.” Zoals je in dit voorbeeld kunt zien bestaat de voltooid tegenwoordige tijd uit twee werkwoorden: “heb” en “gelopen”. In het Nederlands vervoeg je de meeste werkwoorden in de voltooid tegenwoordige tijd met “hebben” en anders met het werkwoord “zijn”. In het Frans doen we dit op dezelfde manier, met het werkwoord “avoir” of het werkwoord “être”. Avoir en être zijn hier de hulpwerkwoorden die je gebruikt om de passé composé te maken.

Maar hoe maak je de passé composé nou zelf? Laten we beginnen met het gebruik van de hulpwerkwoorden avoir en être. Als je in het Nederlands een werkwoord met het hulpwerkwoord hebben (avoir) vervoegd is dit in het Frans ook zo, hetzelfde geldt voor être. Hierop zijn wel een aantal uitzonderingen, maar die worden in deze tekst niet allemaal besproken.


Le passé composé = avoir(/être) + voltooid deelwoord.

De belangrijkste uitzondering hierop die je moet weten is:

ik ben geweest                              j’ai été

Als we weer teruggaan naar het eerdergenoemde voorbeeld: “ik heb gelopen,” weten we nu dat het werkwoord lopen wordt vervoegd met avoir.

Zo werkt de app

Marcher

De vertaling van lopen is marcher, dit is een regelmatig werkwoord. Het voltooid deelwoord van een regelmatig werkwoord in het Frans maak je door de -er te vervangen door -é. In het geval van marcher krijg je dan marché. De vertaling van “ik heb gelopen” is dan “j’ai marché”

Het hele rijtje met de vervoegingen van avoir en het voltooid deelwoord van marcher vind je hieronder:
j’ai marché                           ik heb gelopen
tu as marché                       jij hebt gelopen
il a marché                          hij heeft gelopen
elle a marché                     zij heeft gelopen
nous avons marché          wij hebben gelopen
vous avez marché             u heeft gelopen/jullie hebben gelopen
ils ont marché                   zij hebben gelopen (mannelijk)
elles ont marché               zij hebben gelopen (vrouwelijk)

Être
Laten we nu naar een werkwoord gaan kijken dat vervoegd wordt met être. Een voorbeeld hiervan is het werkwoord rester, wat blijven betekent. “Ik ben gebleven” wordt zoals eerder

gezegd met être vervoegd: je suis resté(e). Zoals je misschien al hebt gezien is er hier iets geks aan de hand. Er staat een “e” tussen haakjes, waarom dit zo is lees je hieronder:

Bij het hulpwerkwoord ‘être’ kan er een uitgang achter het voltooid deelwoord komen te staan. Dit heeft te maken met het onderwerp en of dat mannelijk of vrouwelijk is en of het onderwerp een enkelvoudsvorm of een meervoudsvorm is:

  • als het onderwerp mannelijk enkelvoud is : geen extra uitgang
  • als het onderwerp vrouwelijk enkelvoud is: een extra -e
  • als het onderwerp mannelijk meervoud is : een extra -s
  • als het onderwerp vrouwelijk meervoud is : een extra -es

Hieronder zie je het hele rijtje met de vervoegingen van être en het voltooid deelwoord van rester:

je suis resté(e)                    ik ben gebleven
tu es resté(e)                      jij bent gebleven
il est resté                          hij is gebleven
elle est restée                    zij is gebleven
nous sommes resté(e)s    wij zijn gebleven
vous êtes resté(e)(s)        u bent gebleven, jullie zijn gebleven
ils sont restés                    zij zijn gebleven (mannelijk)
elles sont restées             zij zijn gebleven (vrouwelijk)

Het voltooid deelwoord van andere werkwoorden maak je op de volgende manier:
– vendre = vendu (-re verandert in -u)
– prendre = pris (-endre verandert in -is)
– finir = fini (-ir verandert in -i)
– voir = vu (-oire verandert in -u)
– savoir = su
– pouvoir = pu
– vouloir = voulu
– avoir = eu
– être = été

Ontkenningen met het voltooid deelwoord zien er op de volgende manier uit komen meteen voor en achter het hulpwerkwoord te staan, bijvoorbeeld:

je n’ai pas marché ik heb niet gelopen
ils ne sont pas restés zij zijn niet gebleven

En nu jij! Maak de volgende oefenopdrachten om erachter te komen of jij le passé composé snapt.

Vertaal de volgende zinnen:
1. Jij hebt gelopen.
……………………………………………………………………………………………………………
2. Zij is gearriveerd.
……………………………………………………………………………………………………………
3. Ik heb niet geweten.
……………………………………………………………………………………………………………
4. Jij bent geweest.
……………………………………………………………………………………………………………

Nog niet helemaal overtuigd van je eigen Frans? Laat één van onze coaches je 1-op-1 helpen in de vorm van bijles! Kijk maar eens hier!
Jim


Deze uitleg is geschreven door Jim.

Heb je vragen over dit onderwerp?

Stel je vraag via de app

Chat
Chat

Hulp nodig met je huiswerk?

Loop je tegen een lastige berekening aan of ben je even kwijt of je ‘word’ met een d of een dt schrijft? Meld je nu aan en stuur Mr. Chadd een bericht!

icon-external-link cancel close check cog graduate navigatedown icon-info icon-phone icon-mail icon-chat icon-facebook icon-instagram icon-twitter icon-youtube icon-play icon-eye whatsapp