fbpx

Contact

Neem contact met ons op.

Openingstijden app

Maandag tot en met donderdag: 8:30 tot 22:00 uur
Vrijdag: 8:30 tot 16:00 uur
Zaterdag: 10:00 tot 16:00 uur
Zondag: 10:00 tot 22:00 uur

Bezoekadres

Lopendediep 5
9712 NV
Groningen

KvK: 66929237
BTW: NL8567.56.623.B01
IBAN: NL93 ABNA 0483 1544 31

Keuzevoorzetsels kunnen best lastig zijn.

Het hangt namelijk van de voorzetsels en zelfs van de handeling in de zin af of je de derde naamval of de vierde naamval in de zin moet gebruiken.

Hoe kan je dit nou het beste onthouden? Mr. Chadd gaat je daarbij helpen!

keuzevoorzetsels hoe werken ze
Wat zijn de keuzevoorzetsels?
De keuzevoorzetsels luiden als volgt:

  • An = aan, bij, naar
  • Auf = op
  • Hinter = achter
  • Neben = naast
  • In = in, naar
  • Über = boven, over
  • Unter = onder
  • Vor = voor
  • Zwischen = tussen


Welke naamval moet je gebruiken na de keuzevoorzetsels?
Bij de keuzevoorzetsels moet je dus kiezen welke naamval je gaat gebruiken: de derde of de vierde naamval. Het voorzetsel, gevolgd door de derde naamval, drukt uit dat je ergens bent. Hier is eigenlijk niet echt sprake van een beweging of een doen, maar gewoon ergens zijn. Het voorzetsel, gevolgd door de vierde naamval, drukt juist wel beweging uit. Je gaat ergens naar toe of je gaat iets doen. Zo weet je dus dat in een zin met een keuzevoorzetsel, waarbij een beweging of een handeling plaatsvindt, je de vierde naamval moet gebruiken, terwijl je de derde naamval gebruikt als er eigenlijk niet zoveel gebeurt in de zin.

Het kan zo zijn dat in de zin de betekenis van het werkwoord en het keuzevoorzetsel samen niet een beweging aanduiden, maar ook geen stilstaan zijn. Als het hierbij ook niet gaat om een tijdsbepaling (wanneer?), dan moet je na het keuzevoorzetsel de derde naamval gebruiken bij de voorzetsels an, hinter, neben, in, unter, vor en zwischen. Bij de voorzetsels auf en über gebruik je dan in dit geval de vierde naamval.

Oefenen:
Bepaal in de volgende zinnen welk voorzetsel je moet gebruiken en welke naamval je daarna moet invullen.

  1. Ich lege das Heft … (op de tafel) (der Tisch, m).
  2. Es geschah … (een jaar geleden) (das Jahr, o).
  3. Ich freue mich … (op de reis) (die Reise, v).



 

 

 

Deze uitleg is geschreven door Joyce.

Chat
Chat

Hulp nodig met je huiswerk?

Loop je tegen een lastige berekening aan of ben je even kwijt of je ‘word’ met een d of een dt schrijft? Meld je nu aan en stuur Mr. Chadd een bericht!

icon-external-link cancel close check cog graduate navigatedown icon-info icon-phone icon-mail icon-chat icon-facebook icon-instagram icon-twitter icon-youtube icon-play icon-eye whatsapp