Een jaar lang altijd en overal huiswerkhulp van Mr. Chadd, nu met €50,- korting met de code:

JAAR2021

Vraag en Aanbod

Vraag en Aanbod: een lastig onderwerp van economie.

Gelukkig heeft Mr. Chadd een handige samenvatting, lees hem snel!

In deze samenvatting:

  • Hoofdstuk 1: Markten
  • Hoofdstuk 2: Vraag: op zoek naar een spijkerbroek
  • Hoofdstuk 3: Productie van een spijkerbroek
  • Hoofdstuk 4: Aanbod: Spijkerbroeken te koop
  • Hoofdstuk 5: De markt van merkloze spijkerbroeken
  • Hoofdstuk 6: Arbeidsmarkt en vermogensmarkt
  • Markten

Soorten markten

Op een concrete markt komen vragers en aanbieders op een vaste plek/tijd bij elkaar. De abstracte markt is het geheel van vraag en aanbod van een bepaald product en bestaat uit kleine concrete markten (winkels, supermarkten etc.) Een markt brengt vragers en aanbieders samen en is belangrijk voor de prijsvorming. Verschillende soorten markten: goederen/dienstenmarkt, arbeidsmarkt, vermogensmarkt, valutamarkt. Markten voorzien in behoeften. Het publiek is de vrager en de producent de aanbieder.

De economische crisis heeft het consumentenvertrouwen op een dieptepunt gebracht. In een krimpende markt moeten aanbieders de marge op peil houden 🡪 moeilijk want grondstoffen worden duurder.

  • Vraag: op zoek naar een spijkerbroek

2.1 De vraag naar Easyblue spijkerbroeken

Betalingsbereidheid is hoeveel je bereid bent te betalen bij een bepaalde prijs. Dit kan in een individuele vraagfunctie worden gezet (als het om 1 iemand gaat) en in een grafiek (horizontaal = gevraagde hoeveelheid en verticaal = prijs). Betalingsbereidheid wordt ook beïnvloed door voorkeur, besteedbaar inkomen, prijs van andere spijkerbroeken en andere kledingstukken.

Collectieve vraaglijn

Een (collectieve) vraaglijn geeft het verband weer tussen de prijs van een product en de vraag naar dat product. Dit op voorwaarde dat alle andere factoren die van invloed zijn op de vraag naar het product zoals het inkomen, de prijs van andere producten, de voorkeur, etc. niet veranderen. De veronderstelling dat de andere factoren die de vraag beïnvloeden constant blijven, noemen we de ceteris paribus voorwaarde.

Als de prijs van een product verandert, verandert de vraaglijn niet. Er vindt dan een verschuiving plaats over (langs) de vraaglijn. Er is daarbij sprake van een negatief verband. Als de prijs stijgt, daalt de vraag en als de prijs daalt, stijgt de vraag.

Als de voorkeur naar een bepaald product toeneemt, als het inkomen stijgt, als de prijzen van andere producten (substituten) stijgen, verschuift de (collectieve) vraaglijn van dat product naar rechts

Als de voorkeur naar een bepaald product afneemt, als het inkomen daalt, als de prijzen van andere producten (substituten) dalen, verschuift de (collectieve) vraaglijn van dat product naar links.

Collectieve vraaglijnen

De gezamenlijke vraag van alle consumenten is de collectieve vraag (betalingsbereidheid) 🡪 alle individuele vragen samenvoegen (optellen). Individuele vraaglijnen kunnen tot collectieve vraaglijnen worden samengevoegd (grafiek) en om de collectieve vraagfunctie te krijgen moet je de individuele vraagfuncties bij elkaar optellen (formule). In de collectieve vraaglijn kan een knik ontstaan als er door een klant geen vraag meer wordt uitgeoefend bij een bepaalde prijs. In de collectieve vraagfunctie moet die knik ook terug te vinden zijn door 2 formules.

2.2 Hoe sterk reageert de vraag naar spijkerbroeken op een prijsverandering?

De prijselasticiteit van de vraag geeft aan hoe sterk de vraag reageert op een prijsverandering. De oorzaak staat in de noemer (boven de streep) en het gevolg/ reactie in de teller (onder de streep).

Ev= procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid / procentuele verandering prijs

Aanbieders kunnen door middel van de prijselasticiteit bepalen wat de gevolgen zijn voor de afzet en omzet bij prijsverandering. Het minteken geeft een tegengesteld of negatief verband aan. Als de prijs stijgt, zal de gevraagde hoeveelheid dalen en als de prijs daalt, zal de gevraagde hoeveelheid stijgen. Je kan ook kijken naar de absolute waarde: bij een waarde > 1 is er een sterke reactie (elastisch) en bij een waarde < 1 (inelastisch) is er een zwakke reactie.

Primaire goederen zijn minder elastisch dan luxe goederen. Bij alternatieve goederen zal er een hoge prijselasticiteit zijn

2.3 Hoe sterk reageert de vraag naar Easyblue op een prijsverandering van Cool?

De kruislingse prijselasticiteit geeft weer hoe sterk de vraag van het ene goed reageert op de prijsverandering van het andere goed.

Ek= procentuele verandering gevraagde hoeveelheid product 1 / procentuele verandering prijs product 2.

Bij substitutiegoederen (concurrenten) is de kruislingse elasticiteit positief 🡪 als spijkerbroekenmerk 1 goedkoper worden zal spijkerbroekenmerk 2 minder vraag naar zijn. Bij producten die elkaar aanvullen (complementaire goederen) zal de kruislingse elasticiteit negatief zijn.

Zo werkt de app

2.4 Hoe sterk reageer de vraag naar spijkerbroeken op inkomensverandering

De inkomenselasticiteit van de vraag geeft aan hoe sterk de gevraagde hoeveelheid spijkerbroeken reageert op inkomensverandering.

Ey= procentuele verandering gevraagde hoeveelheid / procentuele verandering besteedbaar inkomen.

Normale goederen hebben positieve inkomenselasticiteit: hoger inkomen = meer gevraagde hoeveelheid. Primaire goederen reageert niet sterk op inkomensverandering: vraag = inelastisch. Luxe goederen reageert sterk op inkomensverandering: vraag = elastisch. Luxe goederen hebben een drempelinkomen (vanaf bepaald inkomen aangeschaft). Bij de meeste goederen is er een verzadigingsinkomen: inkomensstijging leidt niet tot verdere toename gevraagde hoeveelheid. Als de elasticiteit negatief is, is het een inferieur goed: als het inkomen stijgt wordt het vervangen door luxe goed.

  • Productie van een spijkerbroek

3.1 De reis van een spijkerbroek

Het plaatje laat een bedrijfskolom zien. Tussen die schakels bevindt zich een markt. Bedrijfskolommen staan niet los van elkaar.

Sommige winkels hebben zich gespecialiseerd (bijv alleen sportkleding). Parallellisatie is wanneer een bedrijf een verschillende bedrijfskolommen actief is (dameskledingwinkel gaat ook herenkleding kopen). Als bedrijven meerdere schakels uit eigen bedrijfskolom omvatten is er integratie. De tussenhandel hebben zij uitgeschakeld. Het tegenovergestelde is differentiatie, wanneer een productiefase wordt afgestoten. Integreren neemt risico weg en het vindt ook plaats als de transactiekosten te hoog zijn. Verticale integratie is dan voordelig om de transactie te elimineren. Aannemers helpen ook om transactiekosten te verminderen doordat er niet meer met 1 ieder een contract afgesloten hoeft te worden. Integratie is ook een oplossing bij problemen tussen de leverancier en fabrikant.

Verzonken kosten zijn kosten die je niet meer terug kunt verdienen als de productie stopt (als er bijvoorbeeld geen andere gebruiksmogelijkheden zijn voor de machine). Een berovingsprobleem / hold-upprobleem ontstaat als na het afsluiten van een contract de machtsverhoudingen veranderen (vaak is het contract onvolledig).

3.2 De productiekosten

Produceren wordt vaak in lageloonlanden gedaan zodat de loonkosten per product laag blijven. Kapitaalgoederen (vaste activa) gaan lange tijd mee en slijten (wat nodig is om te produceren). Afschrijvingskosten zijn kosten die jaarlijks aan de klanten als kosten worden doorberekend om een kapitaalgoed af te betalen. Kosten die niet veranderen als de productie niet veranderd zijn de constante kosten. Kosten die wel veranderen als de productie verandert noemen we variabele kosten. Alle variabele kosten zijn de totale variabele kosten (TVK).

GCK= TCK / q 🡪 Gemiddelde constante kosten = totale constante kosten / productie

GVK = TVK / q 🡪 gemiddelde variabele kosten = totale variabele kosten / productie

TK = TVK + TCK 🡪 totale kosten = totale variabele kosten + totale constante kosten

GTK = GCK + GVK 🡪 gemiddelde totale kosten = gemiddelde constanten kosten + gemiddelde variabelen kosten

3.3 Proportioneel, progressief en degressief

Als de totale variabele kosten evenredig stijgen met de productie zijn de variabele kosten proportioneel variabel. Variabele kosten die minder dan evenredig stijgen met de productie noemen we degressief variabel. Variabele kosten die meer dan evenredig stijgen met de productie heten progressief variabel.

3.4 Hoeveel produceren?

Een positief verschil tussen de totale opbrengst en de totale kosten is de totale winst. Bij een negatief verschil is er verlies.

TO = p x q 🡪 Totale opbrengst = prijs x afzet

TW = TO-TK 🡪 Totale winst = totale opbrengst – totale kosten

GTK = TK / q 🡪 Gemiddelde totale kosten = totale kosten / afzet

TK = q x GTK 🡪 totale kosten = afzet x gemiddelde totale kosten

TW = q x (P-GTK) 🡪 Totale winst = afzet x (verkoopprijs – gemiddelde totale kosten)

P = GO (gemiddelde opbrengst) GW= gemiddelde winst = winstmarge GTK= kostprijs

Afzet waarbij de totale omzet gelijk is aan de totale kosten is de break-evenafzet. Hetzelfde met de omzet is de break-evenomzet. TO = TK (snijpunt in grafiek). Meeste bedrijven streven naar maximale winst, maar je kan ook streven naar maximale omzet. De winstmarge is optimaal als de fabrikant de productiecapaciteit volledig benut. De winst neemt toe als de productie toeneemt wanneer de opbrengst van de extra productie hoger is dan de kosten van de extra productie. De extra kosten bij uitbreiding van de productieomvang met 1 eenheid is de marginale kosten (MK). Hetzelfde geldt voor de marginale opbrengst (MO) en marginale winst (MW) . ∆ = verandering.

MK = ∆ TK / ∆ q MO = ∆ TO / ∆ q MW = ∆ TW / ∆ q

Als de producent de winst hiervan beoordeeld is het een marginale analyse. De totale winst is maximaal bij de productie waar MO = MK

3.5 Van marginale kostenlijn naar (individuele) aanbodlijn

Als er prijsdalingen zijn heeft een onderneming 3 mogelijkheden:

– Doorgaan met produceren als hij winst maakt

– Tijdelijk doorgaan: als doorgaan met produceren minder verlies oplevert dan stoppen

– Stoppen: als doorgaan meer verlies oplevert dan stoppen

3.6 Het algebraïsch model

De maximale totale winst kan ook algebraïsch afgeleid worden:

F(a)= an 🡪 F’(a)= n x an-1

P = 16 GTK = 0,5q + 4 + 40/q

Dan TO = 16q en dan TK= q x GTK 🡪 TK = 0,5q2 + 4q +40

MO is de eerste afgeleide van TO dus MO = TO’ en MK = TK’. We vinden dan MO en MK door TO en TK te differentiëren. Hier wordt de algemene differentieerregel toegepast: vermenigvuldigen met de exponent en deze exponent verminderen met 1. Dan MO = 16 en MK= q+4. Bij maximale totale winst geldt dan MO= MK 🡪 16 = q+ 4 🡪 q= 12

3.7 Schone spijkerbroek

De productie van een spijkerbroek veroorzaakt schade aan het milieu ( bestrijdingsmiddelen op katoenvelden etc.) De negatieve gevolgen zijn niet in de prijs verwerkt = negatieve externe effecten. De fabrikant heeft alleen op de interne kosten gelet (grondstoffen, lonen) en niet externe kosten (schoonmaken vervuilde grond). Deze externe kosten zijn voor de samenleving door belasting te betalen. De maatschappelijke kosten zijn de interne kosten + externe kosten. De productie van spijkerbroeken vindt vaak onder slechte werkomstandigheden in lageloonlanden plaats. Voor vakbonden (die proberen iets te doen aan de arbeidsomstandigheden) wordt het werk onmogelijk gemaakt, omdat mensen de goedkoopste prijs willen.

Als reactie op de schade die wordt aangebracht is een beweging ontstaan: Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (mvo). Bedrijven houden dan met ondernemen rekening met de 3 P’s: profit (streven naar winst), people (rekening houden met effect op mensen) en planet (rekening houden met milieu). Bij people gaat het om mens binnen en buiten het bedrijf en gedragscodes voor mensen die het bedrijf heeft opgesteld (kinderarbeid e.d.). Bij planet wordt er gekeken naar de gevolgen voor het milieu en bij profit wordt er gekeken naar de winst en hoe die behaald is. Bij mvo gaat de duurzaamheid van produceren voor de winstgevendheid op korte termijn. Duurzaam produceren betekent dat de productie van nu niet ten koste gaat van de productiemogelijkheden in de toekomst.

  • Aanbod: spijkerbroeken te koop

4.1 Het aanbod en de verkoopprijs bij een kledingzaak

Hoeveel spijkerbroeken kledingzaken aanbieden hangt af van de winstmarge op een spijkerbroek (GW). Hoe hoger de winstmarge, hoe aantrekkelijker het is om het aanbod te vergroten. Het aanbod wordt begrensd door de opslagcapaciteit. Binnen de capaciteitsgrenzen is er een positief verband tussen verkoopprijs en aangeboden hoeveelheid wat kan worden weergegeven door de individuele vraagfunctie/vraaglijn.

4.2 Het aanbod bij veranderingen van de verkoopprijs

Weet jij niet meer goed wat prijselasticiteit is? Dat lees je hier ! De prijselasticiteit van het aanbod geeft aan hoe sterk het aanbod reageert op veranderingen van de prijs.

Ea= procentuele verandering aanbod / procentuele verandering verkoopprijs

Als de verkoopprijs stijgt zullen kledingzaken meer spijkerbroeken aanbieden, maar de functie verandert niet 🡪 verschuiving over/langs de aanbodlijn.

4.3 Welke andere factoren dan prijs beïnvloeden het aanbod

Als 1 van de overige factoren verandert (niet prijs) verschuift de aanbodlijn naar links of rechts. Naar links als het minder wordt en naar rechts als het meer wordt.

De collectieve vraaglijn verschuift als het aantal aanbieders verandert. Neemt het aantal aanbieders toe, terwijl de kledingzaak evenveel blijft aanbieden zal het collectieve aanbod toe bij elke prijs.

4.4 De administratie van kledingzaak J&M

Als je een eigen bedrijf willen runnen moet je eerst een ondernemingsplan hebben. Deel daarvan is het financieringsplan: hoeveel geld hebben ondernemers nodig om een eigen bedrijf te beginnen en financieren ze dat met eigen of vreemd vermogen. Externe bedrijven krijgen een goed beeld hierdoor.

Naast een pand is er inventaris (kassa, kledingrekken) en voorraad nodig 🡪 kapitaalgoederen 🡪 aanschaffen hiervan is investeren. Kapitaal is kapitaalgoederen of geld.

Een balans is een overzicht van bezittingen en vermogen van het bedrijf op een bepaald moment. De bezittingen (activa) staan links en het vermogen (passiva) staat rechts. Het zijn voorraadgrootheden.

De waarden zijn gelijk omdat bezittingen worden gefinancierd met vermogen. Huur hoort niet op de balans.

De resultatenrekening geeft een overzicht van de opbrengsten en kosten van een bedrijf over een bepaalde periode: stroomgrootheden. De inventaris brengt ook kosten mee omdat het onderhevig is aan slijtage. Huur staat hier ook op. Het rekening houden met waardedaling van vaste activa als gevolg van slijtage of veroudering is afschrijven. Bij een positief resultaat is er winst (voor eigenaar) en bij een negatief resultaat is er verlies 🡪 betalen van eigen vermogen. De stroomgrootheden hebben dus invloed op de voorraadgrootheden.

4.5 Rechtsvorm

Eenmanszaak

Kenmerkend voor de eenmanszaak is het feit dat deze geleid wordt door één persoon die tevens eigenaar is van het bedrijf. Daarnaast is er geen scheiding van privévermogen en het vermogen van de onderneming. Dit betekent dat de eigenaar met zijn privévermogen aansprakelijk is voor de schulden van het bedrijf.

Vennootschap onder firma

Wanneer enkele zelfstandigen willen samenwerken, bijvoorbeeld omdat ze samen een groter vermogen bij elkaar kunnen brengen, dan kunnen ze dat doen in de vorm van een vennootschap onder firma. De betrokkenen, firmanten genoemd, leiden de onderneming en zijn samen eigenaar. Elk van de firmanten is hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de onderneming. Dit wil zeggen dat elk van de firmanten met zijn privévermogen aansprakelijk is voor alle schulden van de firma.

Besloten vennootschap

Met het oprichten van een besloten vennootschap kan het privévermogen afgeschermd worden voor schuldeisers van de onderneming. De vennoten nemen elk voor een bepaald bedrag deel in het eigen vermogen van de onderneming. Hun aansprakelijkheid beperkt zich tot het bedrag dat ze hebben ingelegd. Dat is mogelijk omdat de bv (net als de nv) een rechtspersoon is. Een rechtspersoon kan zelfstandig schulden aangaan. De aandeelhouders zijn voor deze schulden niet aansprakelijk, waardoor hun privévermogen buiten schot blijft.

Besloten vennootschappen zijn vaak familiebedrijven. De directeuren zijn in loondienst van de bv, maar hebben meestal ook de aandelen in handen. Zij krijgen als werknemer een loon en als aandeelhouder een deel van de winst: het zogenaamde dividend. De aandelen van een bv staan op naam en kunnen alleen met toestemming van de aandeelhouders aan iemand anders worden overgedragen.

Naamloze vennootschap

Als een onderneming grote bedragen aan kapitaal nodig heeft is de bv minder geschikt en is de nv een beter alternatief. De aandelen van de nv staan niet op naam en zijn daarom vrij verhandelbaar op de effectenbeurs. Hierdoor kan een nv een veel groter vermogen aantrekken. De bezitters van de aandelen, aandeelhouders genoemd, hebben letterlijk een aandeel in het eigen vermogen van de onderneming en zijn voor de grootte van dat aandeel, eigenaar van de onderneming. Het aandeel geeft de aandeelhouder recht op een deel van de winst. Bij de nv is de dagelijkse leiding verder losgekoppeld van de eigenaars dan bij de bv. De aandeelhouders worden vertegenwoordigd door de Raad van Commissarissen die de Raad van Bestuur (de directie) van de onderneming controleert. De directie voert de dagelijkse leiding van het bedrijf. De directeuren zijn werknemers van het bedrijf.

  • De markt van merkloze spijkerbroeken

5.1 Evenwicht op de markt van merkloze spijkerbroeken

Vraag en aanbod bepalen de prijs van een spijkerbroek. Er is een positief verband tussen aanbod en prijs en een negatief verband tussen vraag en prijs. Bij een aanbodoverschot is het aanbod bij een bepaalde prijs groter dan de vraag en bij een vraagoverschot is de vraag bij een bepaalde prijs groter dan het aanbod. Zolang Qa niet gelijk is aan Qv zal de prijs veranderen. De evenwichtsprijs/marktprijs is te berekenen door Qv gelijk te stellen aan Qa. De hoeveelheid die daarbij hoort is de evenwichtshoeveelheid. Veranderingen in vraag en aanbod leiden tot een nieuwe evenwichtsprijs.

Een verschuiving van de vraaglijn leidt tot een verschuiving van de aanbodlijn. Door de verschuiving verandert het snijpunt 🡪 nieuwe evenwichtsprijs.

5.2 Het marktmechanisme

De prijs zal zodanig veranderen dat er evenwicht is tussen Qa en Qv 🡪 marktmechanisme (in theorie wordt precies geproduceerd waar behoefte aan is). Door dit mechanisme worden productiefactoren daar ingezet waar ze nodig zijn = optimale allocatie van productiefactoren. Bij dit mechanisme zijn prijzen de informatie voor aanbieders: hoge prijs = meer aanbieden.

  • Arbeidsmarkt en vermogensmarkt

6.1 Arbeidsmarkt

Arbeid omvat alle mogelijke arbeidsprestaties die een bijdrage leveren aan het voortbrengen van producten. Voor vragers naar arbeid is loon een kostenpost en voor de aanbieders van arbeid is het inkomen. Het aanbod van arbeid is de beroepsbevolking (bezette banen = werkgelegenheid + werklozen). De vraag naar arbeid is de vraag naar werknemers door bedrijven en de overheid (werkgelegenheid + vacatures). De arbeidsmarkt bestaat uit veel deelmarkten en is voortdurend onderhevig aan veranderingen in vraag en aanbod. Groeit de vraag harder dan aanbod = verkrapping van arbeidsmarkt (verhouding tussen vraag en aanbod groter). Groeit de beroepsbevolking harder dan de werkgelegenheid = verruiming arbeidsmarkt (verhouding kleiner). Meer weten? Klik hier voor meer informatie over de krappe en de ruime arbeidsmarkt.

Hoeveel iemand werkt ligt aan de opofferingskosten. Bij een hoger loon zal het aanbod van arbeid toenemen 🡪 opofferingskosten vrije tijd stijgen. De mate waarin het aanbod van arbeid reageert op een stijging of daling van het loon kan worden weergegeven door loonelasticiteit van aanbod. Het arbeidsaanbod is over het algemeen looninelastisch (zwakke reactie).

Loonelasticiteit arbeidsaanbod = procentuele verandering arbeidsaanbod / procentuele verandering loon.

De vraag naar arbeid is afhankelijk van de hoogte van het loon: ondernemer streeft naar winst 🡪 werknemers aantrekken als opbrengst van werknemer groter is dan kosten 🡪 opbrengst die een werknemer haalt in productie = arbeidsproductiviteit. Bij een stijging van het loon zal de vraag afnemen en andersom. De loonelasticiteit van arbeidsvraag geeft weer hoe sterk de vraag naar arbeid reageert op loonstijging.

Loonelasticiteit van arbeidsvraag= procentuele verandering arbeidsvraag / procentuele verandering loon.

De grootte van deze elasticiteit verschilt per sector. De productie in lagelonenlanden, kapitaalintensief productieproces (veel kapitaal ingezet)en arbeidsintensief productieproces (veel arbeid) zullen invloed hebben op de elasticiteit. Ook op de arbeidsmarkt is het marktmechanisme van toepassing 🡪 vraag en aanbod komen samen tot loon. AOW leeftijd verhoogd 🡪 aanbod naar rechts: technologische ontwikkeling 🡪 verschuiving vraaglijn.

Heb jij na het lezen van deze uitstekende samenvatting toch nog vragen? De coaches van Mr. Chadd staan de hele dag klaar om jou te helpen. Start nu snel een chat!

Docent of directeur? Vraag een gratis testperiode aan!

Mr. Chadd uitproberen? Dat kan nu twee weken gratis en geheel vrijblijvend met jouw klas! We komen graag in contact om de mogelijkheden te bespreken.

Ik laat u graag zien hoe Mr. Chadd werkt!

Docent of directeur? Vraag een gratis informatiepakket aan

Laat hieronder uw gegevens achter en we sturen u een gratis informatiepakket over Mr. Chadd op!

Ik vertel u graag over de voordelen van Mr. Chadd!

Docent of directeur? Neem contact op

Bent u benieuwd naar de voordelen van Mr. Chadd of heeft u andere vragen? Laat uw gegevens achter en wij nemen zo snel mogelijk contact op.

Ik vertel u graag meer over Mr. Chadd!
Zo werkt het Academy Over ons
{"api_base_path":"https://c.mrchadd.nl","funnel_return_domain":"https://www.mrchadd.nl","third_party_js_asset":"third-party.js"}