fbpx

Contact

Neem contact met ons op.

Openingstijden app

Maandag tot en met donderdag: 8:30 tot 22:00 uur
Vrijdag: 8:30 tot 16:00 uur
Zaterdag: 10:00 tot 16:00 uur
Zondag: 10:00 tot 22:00 uur

Bezoekadres

Lopendediep 5
9712 NV
Groningen

KvK: 66929237
BTW: NL8567.56.623.B01
IBAN: NL93 ABNA 0483 1544 31

Het vervoegen van werkwoorden in het Duits kan lastig zijn, niet elk werkwoord wordt op dezelfde manier gedaan. Maar waar ligt dan het verschil?

In dit artikel staat heel duidelijk hoe je welke werkwoorden vervoegt. Zo word ook jij een ster in Duits!


In het Duits zijn er drie soorten werkwoorden, namelijk zwakke, sterke en onregelmatige werkwoorden.

Zwakke werkwoorden

Tegenwoordige tijd:

  1. Alle standaardwerkwoorden, zoals ‘machen’ (maken). Je haalt de –en van het werkwoord af en plakt de uitgangen aan de stam.
    ich mache   —  ik maak
    du machst   —  jij maakt
    er/sie/es macht   —   hij/zij/het maakt
    wir machen   —  wij maken
    ihr macht  —   jullie maken
    sie/Sie machen   —  zij maken / u maakt
  2. Wanneer de stam eindigt op een s-klank (zoals s, x, z, ß, ss). Bijvoorbeeld ‘reisen’ (reizen)
    ich reise  —  ik reis
    du reist  —  jij reist
    er/sie/es reist  —  hij/zij/het reist
    wir reisen  —  wij reizen
    ihr reist   —  jullie reizen
    sie/Sie reisen zij reizen / u reist
  3. Wanneer de stam op een –d of een –t eindigt, zoals ‘reden’ (praten).
    ich rede   —  ik praat
    du redest  —  jij praat
    er/sie/es redet  —  hij/zij/het praat
    wir reden   —  wij praten
    ihr redet  —  jullie praten
    sie/Sie reden  —  zij praten / u praat

werkwoorden vervoegen
Verleden tijd:

  1. Dit is de standaardgroep. Dit zijn alle werkwoorden behalve de werkwoorden waarvan de stam eindigt op een –d of –t:
    ich machte  —  ik maakte
    du machtest  —  jij maakte
    er/sie/est machte  —  hij/zij/het maakte
    wir machten  —  wij maakten
    ihr machtet  —  jullie maakten
    sie/Sie machten  —  zij maakten / u maakte
  2. Wanneer de stam eindigt op een –d of –t:
    ich redete  —  ik praatte
    du redetest  —  jij praatte
    er/sie/es redetet  —  hij/zij/het praatte
    wir redeten  —  wij praatten
    ihr redetet  —  jullie praatten
    sie/Sie redeten  —  zij praatten / u praatte

Bij zwakke werkwoorden wordt het voltooid deelwoord gemaakt door ge + er/sie/es-vorm van het werkwoord in de tegenwoordige tijd. Bijvoorbeeld: gemacht, geredet, gereist.

Sterke werkwoorden

Tegenwoordige tijd:

    1. Een ‘a’ in de stam wordt ‘ä’ bij du/er/sie/es. Bijvoorbeeld ‘laufen’ (lopen):
      ich laufe  —  ik loop
      du läufst  —  jij loopt
      er/sie/es läuft  —  hij/zij/het loopt
      wir laufen  —  wij lopen
      ihr lauft  —  jullie lopen
      sie/Sie laufen  —  zij lopen / u loopt
    2. Wanneer de stam eindigt op een –d of –t wordt de du/er/sie/es uitgang zo kort mogelijk. Bijvoorbeeld ‘raten’ (raden):
      ich rate  —  ik raad
      du rätst  —  jij raadt
      er/sie/es rät  —  hij/zij/het raadt
      wir raten  —  wij raden
      ihr ratet  —  jullie raden
      sie/Sie raten  —  zij raden / u raadt

  1. Wanneer de ‘e’ in de stam lang wordt uitgesproken, wordt deze ‘ie’ bij du/er/sie/est. Bijvoorbeeld ‘lesen’ (lezen):
    ich lese  —  ik lees
    du liest  —  jij leest
    er/sie/es liest  —  hij/zij/het leest
    wir lesen  —  wij lezen
    ihr lest  —  jullie lezen
    sie/Sie lesen  —  zij lezen / u leest
  2. Wanneer de ‘e’ in de stam kort wordt uitgesproken, wordt deze ‘i’ bij du/er/sie/est. Bijvoorbeeld ‘sprechen’ (spreken):
    ich spreche  —  ik spreek
    du sprichst  —  jij spreekt
    er/sie/es spricht  —  hij/zij/het spreekt
    wir sprechen  —  wij spreken
    ihr sprecht  —  jullie spreken
    sie/Sie sprechen  —  zij spreken / u spreekt

Bij sterke werkwoorden is er helaas geen standaardregel om het voltooid deelwoord te maken en moet deze voor ieder werkwoord apart geleerd worden. Enkele voorbeelden:

  • ‘ich bin gekommen’ (ik ben gekomen)
  • ‘ich habe gelesen’ (ik heb gelezen)
  • ‘ich habe gefunden’ (ik heb gevonden)

Onregelmatige werkwoorden

Dit zijn werkwoorden die niet volgens de standaardregels vervoegd worden en waarvan de uitgangen dus apart geleerd moeten worden. Veel voorkomende voorbeelden van onregelmatige werkwoorden zijn:

  • sein (zijn)
  • haben (hebben)
  • werden (worden/zullen)
  • können (kunnen)
  • wollen (willen)
  • wissen (weten)
  • dürfen (mogen/toestemming hebben)
  • sollen (moeten)
​Kan je wel wat hulp gebruiken bij het vervoegen van werkwoorden? Naast chatten kun je ook 1-op-1 bijles krijgen van onze slimme coaches! Kijk hier voor meer informatie.
Jim
​​​


Deze uitleg is geschreven door Jim.

Heb je vragen over dit onderwerp?

Stel je vraag via de app

Chat
Chat

Hulp nodig met je huiswerk?

Loop je tegen een lastige berekening aan of ben je even kwijt of je ‘word’ met een d of een dt schrijft? Meld je nu aan en stuur Mr. Chadd een bericht!

icon-external-link cancel close check cog graduate navigatedown icon-info icon-phone icon-mail icon-chat icon-facebook icon-instagram icon-twitter icon-youtube icon-play icon-eye whatsapp