fbpx

Contact

Neem contact met ons op.

Openingstijden app

Maandag tot en met donderdag: 8:30 tot 22:00 uur
Vrijdag: 8:30 tot 16:00 uur
Zaterdag: 10:00 tot 16:00 uur
Zondag: 10:00 tot 22:00 uur

Bezoekadres

Lopendediep 5
9712 NV
Groningen

KvK: 66929237
BTW: NL8567.56.623.B01
IBAN: NL93 ABNA 0483 1544 31

De alvleesklier zit diep verstopt in je buik, maar is een onmisbaar orgaan.

De alvleesklier maakt onder andere insuline aan. Daarnaast maakt de alvleesklier glucagon en spijsverteringssappen.

De alvleesklier heeft 2 verschillende functies die duidelijk van elkaar onderscheiden moeten worden: De exocriene functie en de endocriene functie.

alvleesklier
Exocriene functie
De exocriene functie speelt een belangrijke rol bij de vertering van voedsel. De alvleesklier produceert per dag ongeveer 1,2 liter pancreassap. Pancreassap bevat spijsverteringsenzymen die onmisbaar zijn in de spijsvertering. Het pancreassap wordt niet de hele dag door afgegeven aan de darmen, maar alleen wanneer onze hersenen een seintje doorkrijgen dat er voedsel in aantocht is. Dit signaal wordt doorgegeven aan de alvleesklier wanneer we voedsel ruiken, zien, proeven en doorslikken. De alvleesklier begint vervolgens met de aanmaak van pancreassap. De spijsverteringsenzymen werken in op de voedingsstoffen in onze darm. Pas wanneer deze enzymen hun werk hebben gedaan, kunnen voedingsstoffen in het lichaam worden opgenomen. Wanneer de alvleesklier niet goed werkt, is dit vaak direct merkbaar. De spijsvertering is verstoord en belangrijke voedingsstoffen kunnen niet worden opgenomen door de dunne darm. Deze voedingsstoffen verlaten dan samen met de ontlasting het lichaam, wat leidt tot verzwakking van het lichaam.

Zo werkt de app

Endocriene functie
De endocriene functie van de alvleesklier is essentieel in het maken van hormonen die een essentiële rol spelen bij de suikerstofwisseling in ons lichaam. De alvleesklier reageert op de hoeveelheid suiker in het bloed. Is het suikergehalte, bijvoorbeeld na een maaltijd, verhoogd, dan wordt er meer insuline aangemaakt. Insuline zorgt er voor dat organen glucose uit het bloed gaan opnemen. De glucosedeeltjes worden aan elkaar gekoppeld en vormen zo lange ketens. Deze ketens noem je glycogeen. Glycogeen kan vervolgens worden opgeslagen in de lever en in de spieren, als energiereserve. Bij een laag suikergehalte gaat de alvleesklier minder insuline produceren en gaat de alvleesklier glucagon aanmaken. Glucagon doet het tegenovergestelde: het zorgt ervoor dat opgeslagen glycogeen in de lever vrijkomt als de bloedsuikerspiegel te laag is. Hierdoor stijgt de bloedsuikerspiegel weer. Omdat glucagon en insuline een tegengestelde functie hebben, zorgen ze er samen voor dat de glucosespiegel in balans is.

Diabetes
Bij diabetes type 1 maakt de alvleesklier geen insuline meer, omdat de cellen die dat moeten doen zijn kapot of stilgelegd door het eigen afweersysteem. Het afweersysteem denkt dat de insulineproducerende cellen indringers zijn die moeten worden opgeruimd. Bij diabetes type 2, ook wel het welvaarts-type genoemd, maakt de alvleesklier eerst nog wel insuline aan, maar het lichaam reageert niet meer goed op insuline. De bloedsuikerspiegel blijft te hoog en de alvleesklier maakt steeds meer insuline aan om de suikerspiegel toch te laten zakken. Op een gegeven moment maakt de alvleesklier ook bij diabetes type 2 steeds minder insuline aan. Mensen met diabetes moeten insuline spuiten, zodat glucose in het bloed toch door organen kan worden opgenomen. Wanneer de bloedsuikerspiegel te hoog is, spreken we van een hyper. Wanneer de bloedsuikerspiegel te laag is, spreken we van een hypo. Bij mensen zonder diabetes is het lichaam in staat om zelf de bloedsuikerspiegel te handhaven en controleren.

Oefenopgaven

  1. Zetmeel heeft als molecuulformule C6H10O5 en is een verzamelnaam voor een complexe polymere koolhydraat die in de natuur dient als voedselreserve voor planten. Welk koolhydraat heeft in dierlijke organismen een vergelijkbare functie?
  2. Als diabetes type 1 niet wordt behandeld zal een patiënt, ondanks het hoge glucosegehalte in het bloed, gewicht verliezen. Leg uit waarom.
  3. Bij een gezond persoon veroorzaakt een tijdelijk hogere glucosewaarde in het bloed via regulatie van ADH-afgifte een afname van de hoeveelheid geproduceerde urine. Neemt de ADH-afgifte door een hogere bloedsuikerspiegel toe of af? Neemt de resorptie van water in de nieren dan toe of af?

Belinda

 

 

 

Deze uitleg is geschreven door Belinda.

Heb je vragen over dit onderwerp?

Stel je vraag via de app

Chat
Chat

Hulp nodig met je huiswerk?

Loop je tegen een lastige berekening aan of ben je even kwijt of je ‘word’ met een d of een dt schrijft? Meld je nu aan en stuur Mr. Chadd een bericht!

icon-external-link cancel close check cog graduate navigatedown icon-info icon-phone icon-mail icon-chat icon-facebook icon-instagram icon-twitter icon-youtube icon-play icon-eye whatsapp